Adres
Ringdijk 398
2983 GS Ridderkerk
Tel: 0180 - 410 635
Info@kantoorabri.nl

Openingstijden:
Maandag t/m Vrijdag van 09.00 t/m 16.00 uur.

Voor toepassing verleggingsregeling moet identiteit afnemer bekend zijn

Een bv verwerkt en handelt in ferro- en non-ferrometalen. In april 2010 meldt zich een Duitse afnemer voor de aankoop van non-ferrometalen. Voordat de eerste levering plaatsvindt, verifieert de bv het opgegeven btw-identificatienummer van deze afnemer. Dit nummer blijkt niet geldig te zijn. Toch vinden er leveringen plaats tussen 16 april en 11 juni 2010. De afnemer haalt de metalen telkens op bij de bv en rekent contant af. De bv vermeldt op enkele facturen ‘btw verlegd’ en draagt daarom geen btw af. Zij weet niet waar de metalen naartoe zijn vervoerd. Hoe gaat de inspecteur hiermee om?

De inspecteur meent dat de verleggingsregeling niet kan worden toegepast, omdat de afnemer onbekend is en legt een naheffingsaanslag op. Volgens hem kan door het ontbreken van de identiteit van de afnemer niet worden achterhaald of de afnemer btw heeft aangegeven en afgedragen over de leveringen. Hierdoor kan de bv de verleggingsregeling niet toepassen. Daarin krijgt hij gelijk van de rechtbank, maar het hof fluit hem terug. Volgens het hof hoeft de identiteit van de afnemer niet bekend te zijn voor toepassing van de verleggingsregeling, maar slechts of de afnemer een btw-ondernemer is. Dat staat volgens het hof vast op grond van de hoeveelheden die zijn geleverd. Ook heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de bv de identiteit van de afnemer bewust verborgen heeft gehouden en zo heeft deelgenomen aan belastingfraude. Het laatste woord is aan de Hoge Raad.

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de Belastingdienst de identiteit van de afnemer moet kunnen vaststellen. Bij toepassing van de verleggingsregeling is kennisneming van de identiteit  noodzakelijk voor de controle op de heffing en inning van btw bij de afnemer ter zake van de verrichte leveringen van goederen en van de door de afnemer op zijn beurt verrichte leveringen van die goederen. Is de verleggingsregeling toegepast en maakt de inspecteur aannemelijk dat de aangegeven afnemer niet de werkelijke afnemer kan zijn? Dan rust op de leverancier de bewijslast om feiten aan te leveren op grond waarvan de Belastingdienst de identiteit van de werkelijke afnemer wel kan vaststellen. Aangezien de bv bij het hof niet het oordeel van de rechtbank heeft bestreden dat de identiteit van haar afnemer onbekend is, kan de Belastingdienst die identiteit dus niet vaststellen. De verleggingsregeling kan dan niet worden toegepast. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.